SOE-agent Jan Kist
In 1941 vertrok Jan Kist naar Engeland ‘om te vechten’. In zijn dagboeken kunnen we lezen hoe hij zich daarop voorbereidde tijdens zijn opleiding tot geheim agent.
TB · 11 augustus 2026
Begin augustus 1942 werd Engelandvaarder Jan Kist in de Royal Victoria Patriotic School ondervraagd door een Nederlands sprekende medewerker van de Britse binnenlandse veiligheidsdienst MI5. Alle buitenlanders die in Engeland aankwamen werden daar op hun betrouwbaarheid beoordeeld, waarbij de Britten tegelijkertijd probeerden inlichtingen over het bezette Europa in te winnen. Kist vertelde dat hij op 23 september 1941 te voet uit Nederland was vertrokken. Het had hem bijna een jaar gekost om Engeland te bereiken. Door de verslagen van de verhoren en correspondentie die bewaard is gebleven in de archieven van het ministerie van Justitie, maar vooral door de dagboeken die Kist bijhield in 1942-1943, kunnen we gedeeltelijk achterhalen hoe zijn reis naar Engeland en de tijd erna verliep.
Engelandvaarder
Kist was in 1913 in Leiden geboren. Zijn vader, Antonie Kist, was arts en was in 1933 overleden; zijn moeder Maria Bok – geboren in Amsterdam, dochter van een predikant – woonde nog in Leiden. Hij sprak Engels, Frans, Nederlands en Duits en had ‘kennis van Spaans’, die hij opgedaan had tijdens zijn tocht naar Engeland. Als hobby noemde hij postzegels verzamelen.
Na het gymnasium in Leiden volgde Kist twee jaar lang de opleiding tot adelborst-zeedienst op het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord, maar dat beviel hem niet, ‘vooral daar het niet boterde’ met zijn collega’s. Hij ging terug naar Leiden waar hij in juni 1940 zijn doctoraal letteren behaalde, terwijl hij ook kandidaatsexamen rechten gedaan had. Ondertussen was hij in 1937-38 tijdens zijn militaire dienst naar de School voor Reserve-officieren der Onbereden Artillerie in Utrecht geweest. Hij was afgezwaaid als sergeant en werd in januari 1939 benoemd tot vaandrig. Bij de mobilisatie werd Kist achtereenvolgens geplaatst in Heemstede, Woerden en – tijdens de meidagen – bij Oude Wetering.
Na de demobilisatie ging hij opnieuw studeren, tot de Leidse universiteit werd gesloten. Hij hield contact met verschillende reserveofficieren. Tot de zomervakantie van 1941 werkte Kist als leraar Latijn en Grieks aan een particulier internaat in Bilthoven en als volontair bij de Universiteitsbibliotheek in Utrecht. Hij maakte plannen om te vertrekken: ‘Daar de geheime organisatie in Leiden, waarvan ik lid was, niet veel was, werd dit voor mij een reden temeer om weg te gaan.’
Kists reisgenoten waren Hans Battaerd, student scheikunde die hij uit Leiden kende, en P. Boom, een leerling van de Tuinbouwschool in Boskoop, die onder Kist had gediend. Alleen Kist kwam in Engeland aan: Boom werd ‘door de Duitsers uit de trein gehaald op het ogenblik dat deze vertrekt’ in Essen (België) en ook Battaerd raakte Kist onderweg kwijt.
Op 1 oktober kwam Kist aan in het niet-bezette zuidelijke deel van Frankrijk, waar hij in Rinus Zuidijk (1921-2019) een nieuwe reisgenoot vond. Op 19 maart 1942 begonnen zij met een gids uit Perpignan aan de gevaarlijke tocht over de Pyreneeën. Maar eenmaal in Spanje werden ze gevangen genomen. Volgens Kists dagboek werden ze ‘steeds behoorlijk behandeld’ in de gevangenissen in o.a. Barcelona, Lerida, Zaragoza en Madrid. Op 21 juli vertrokken Rinus en hij van Gibraltar per boot naar Engeland. Op 1 augustus stapten ze in Glasgow in de nachttrein naar Londen.
Zo kwam Kist op 9 augustus in de Patriotic School terecht. Hij was te lang van huis om nuttige informatie te kunnen geven aan degenen die van alles over Nederland wilden weten. Hij werd ook verhoord door Nederlanders over militaire zaken en over zijn reis. Nol Wolters, die het laatste verhoor deed, noteerde: ‘Kist is in het geheel geen militaire figuur. Hij heeft een buitengewoon geheugen en een zeer goed stel hersenen, terwijl hij blijk gaf zijn ogen te hebben gebruikt. Politiek is hij zeer zeker betrouwbaar.’ Hij vond dat Kist tijdens zijn reis doorzettingsvermogen had getoond. Volgens zijn reisgenoten had hij in Spanje in tien dagen Spaans geleerd.
Op bezoek bij Hare Majesteit
Kist was naar Londen gekomen om bij te dragen aan de strijd tegen de Duitsers. Maar wat was daarvoor de beste plek? Een mogelijkheid om te werken bij minister Van den Tempel van Sociale Zaken wees hij af: ‘Ik dank Z.E. voor alle vriendelijkheid en deel hem mede dat ik hier gekomen ben om te vechten.’ Een opleiding tot verbindingsofficier leek hem een betere optie, want ‘in ieder geval ben ik er dan bij als er wat gebeurt’. De opleiding zou echter niet meteen beginnen, dus ging Kist tijdelijk aan het werk bij bureau Zuivering. Over de Nederlandse overheidskantoren in Londen schreef hij:
Wat zitten alle bureaus elkaar overigens in de haren, wat is er weinig coördinatie, wat een haat en nijd en wat een verkeerde inmenging zelfs soms door de allerhoogst geplaatsten. Hier, waar het regeringswereldje zoveel kleiner is en gemakkelijker toegankelijk, krijgt men geen gunstig beeld; de enige troost is natuurlijk dat het bij de vijand ook zoo is.
Eind augustus werd zijn vriend Rinus tot diens grote vreugde adelborst: ‘Dat zal gek zijn als die onafgebroken vriend van de laatste 10 maanden uit mijn gezichtskring verdwijnt.’ In Londen ontmoette Kist oude vrienden en maakte hij kennis met andere Engelandvaarders in Oranje Haven: ‘Werkelijk aardig trefpunt. De beheerder, luitenant ter zee (eigenlijk adelborst want nog niet beëdigd) Dogger zeer sympathiek.’ Hij hoopte er koningin Wilhelmina en prins Bernhard te ontmoeten, maar liep hen tot twee keer toe mis: ‘Het is één van die kleine teleurstellingen zoals er hier zoveel zijn; men moet hier komen, gepantserd met een flinke laag idealisme anders gaat men hier te gronde in verbittering en/of sleur.’
Uiteindelijk zag hij Bernhard in september op het kantoor van Henk Lieftinck en de koningin op 30 oktober bij het uitreiken van de onderscheidingen voor Engelandvaarders. Hare Majesteit spelde het ereteken op en had een vriendelijk woord voor hem. ‘En wat een geheugen voor namen en bijzonderheden!!’ merkte Kist op in zijn dagboek. ‘Mij vraagt Ze wat ik ga doen en of ik bij de Brigade ben. Ik zeg natuurlijk, dat ik naar de verbindingsofficierscursus ga, want officieel is dat ook zo.’ Op 5 november werd hij met anderen uitgenodigd bij de koningin thuis in Maidenhead. ‘Het gesprek loopt hoofdzakelijk over Nederland, wat er alzo nodig zal zijn: verbandmiddelen, hongersnood-maatregel van de mof en ontduiking daarvan, toestand in Frankrijk. HM is er geheel "in", weet alles, kent allerlei personen naar wie Zij vraagt.’
Ondertussen was zijn plan dus wat veranderd: officieel zou hij naar de cursus voor verbindingsofficieren gaan, maar officieus was besloten dat hij geheim agent ging worden. Hoe dat precies tot stand kwam, is niet duidelijk: zelfs in zijn eigen dagboek schreef Kist er weinig over. Uit zijn notities blijkt alleen dat hij in gesprek was met ‘de kapitein’, zijnde Lieftinck, en ‘de kolonel’, Lieftincks chef Mattheus de Bruyne, hoofd van de Nederlandse Centrale Inlichtingen Dienst (CID). Een tijd lang was onzeker of en wanneer het door zou gaan, tot Kist op 10 november een telefoontje van Lieftinck kreeg. Op diens kantoor ontmoette hij ‘de Eng[else] majoor [Blizard] en mrs. Bond’, beide werkzaam bij de Britse sabotagedienst Special Operations Executive (SOE). Kist moest foto’s laten maken voor een identiteitsbewijs en een medische keuring ondergaan. Hij ging langs Oranjehaven om afscheid te nemen. De volgende dag begeleidde Bond hem tot de trein.
Opleiding tot geheim agent
In zijn dagboek schreef Kist niet waar hij heen ging, maar uit de SOE-archieven blijkt dat het moet gaan om Special Training School 4 (STS4) in Winterfold House, bij Cranleigh. Hij schreef wel uitgebreid over de opleiding die hij kreeg en de andere bezigheden, zoals uitstapjes naar Cranleigh op vrije middagen. Met zes Belgen kreeg hij een stoomcursus in boksen en andere sporten, kaartlezen, kompaslopen, seinen, camouflage en schieten. De staf bestond uit een majoor, parachutisten en drie officiëren. Een keer kregen ze een nachtoefening: ‘aanval op of eigenlijk meer besluipen van het huis. Tevoren is de zaak verkend, en het is heel aardig zoals het in de praktijk mogelijk blijkt bijna onhoorbaar over dorre bladeren voort te sluipen en in de schaduw van bomen op een meter afstand van den schildwacht te liggen, zonder dat deze iets ziet. Dat geeft wel enig zelfvertrouwen.’
Na een week kreeg Kist gezelschap van een andere Nederlander met wie hij een kamer zou delen. Dat bleek iemand te zijn die hij kende, Gijs de Jong, die net in Engeland was aangekomen. Eind november werd de cursus in Winterfold afgesloten met examens: ‘…seinen breng ik eraf met 9 woorden per minuut, kaartlezen wordt met 89 beloond, demolitions met 97. Ook hier geeft men cijfers tot 100.’ Op 6 december scheidden hun wegen. Gijs bleef in Winterfold. Hij zou uiteindelijk geen geheim agent worden, maar gaan werken voor de Nederlandse inlichtingendienst. Kists programma zette zich voort in Special Training School 51. Hij reisde samen met Tony Knight, een conducting officer van SOE die ‘uitstekend’ Nederlands sprak, zij het met een Antwerps accent. ‘Tony heeft brieven voor me bij zich, een pakje van het Welzijnscomité vanwege 5 December; merendeels tabak, helaas, [m]aar ook een aardige portefeuille voor rijbewijs enz. van de Ned. Marine uit Indië. En een pakje van Rinus inhoudende een eendelige encyclopedie. Niet gek, hoewel het artikel over Holland b.v. lang niet up to date blijkt. En het geheel breidt mijn bagage weer op hinderlijke manier uit. Toch zal ik het niet ruilen; ik weet zo gauw geen ander boek en weet ook niet waar. Bovendien is het niet zo aardig voor den gever – Zo is er toch iets van Sinterklaasstemming.’
‘Op onze bestemming aangekomen, vinden we daar verschillende andere officieren, Fransen, een Canadees en een Yankee. Zelfs een meisje. Na enig wachten komt er een bus die ons naar “51” brengt. Intussen heeft Tony al gezegd dat ik [over]morgen mijn eersten sprong moet doen, hetgeen een grote verrassing voor me is, want ik had er geen gedachte van dat dit het program van 51 was.’ STS 51 was bij het vliegveld Ringway, bij Manchester. Verschillende groepen kregen daar hun parachutetraining, onder wie de geheim agenten die per vliegtuig boven bezet gebied zouden worden gedropt.
Parachutetraining
Op maandag 7 december begon de training: ‘P.T. [physical training] minder “tough” dan op nr. 4, dunkt me; toespraakje van den commandant: geen reden om bang te zijn; iedereen heeft een gevoel van angst bij zijn eersten sprong, dat is niets bijzonders. Dan nog wat grondoefeningen om juist te leren springen; daarna naar een vliegveld, …, diegenen van ons die nog nooit gevlogen hebben – en ik reken me daar ook onder – maken een korte vlucht in een vliegtuig, waarbij we door het gat mogen kijken; hetgeen niet in alle opzichten aangenaam is. ’s Middags verder grondtraining. ’s Avonds maken Tony en ik een wandeling, weer is behoorlijk. Maaltijden zijn ook hier zeer goed.’
Belgische troepen doen oefeningen voor hun parachutetraining op Ringway, 1942. Imperial War Museum (IWM), D 8696.
Belgische troepen leren recht springen, Ringway 1942. IWM, D 8695.
Belgische troepen leren recht springen, Ringway 1942. IWM, D 8710.
De volgende dag volgt een demonstratie. ‘Het is werkelijk een mooi gezicht; en te zien hoe al die kerels onmiddellijk na het neerkomen opstaan zonder moeite, ook al zijn ze nog zoo onmodel uit het vliegtuig gekomen. Een en ander geeft wel vertrouwen. Daarna verder grondtraining. En ’s middags is het grote ogenblik van den eerste sprong aangebroken. We rijden naar het vliegveld, krijgen onze parachutes aan, de valhoed op en een rubberplaat tegen het einde van den rug. Dan in het vliegtuig op de juiste wijze: “sardientjesgewijs”. We worden aan het vliegtuig vastgemaakt: de lijn moet door de val breken en de parachute opentrekken. Ik kijk geen ogenblik naar beneden, maar stel me steeds voor dat de grond 2 meter beneden me is, net als bij het oefenvliegtuig; bovendien is naar beneden kijken bij den sprong gevaarlijk want dan gaat men over den kop met de kans den voet in de lijn van de parachute te krijgen. Ik ben nr. 7. Als het voor mij “action stations” is ga ik in het gat zitten en kijk strak naar de arm van den “despatcher”. Die laat zijn arm zakken en schreeuwt “Go”, waarop ik spring; hoe weet ik niet, maar blijkbaar niet al te slecht, want even later hang ik in de lucht, in gestrekte houding armen langs mijn lichaam, en voel wind; blijkbaar den schroefwind van het vliegtuig. Daarna voel ik plotseling mijn snelheid verminderen en opkijkend zie ik de parachute geopend boven me. Ik tast met mijn handen omhoog en grijp de schouderlijnen van de parachute zo dat ik, zo nodig draaien kan om met den wind in de rug kan landen.
Ik kan nu rustig in de rondte kijken en zo’n luchtreisje is werkelijk aardig. Beneden op het terrein zie ik de mensen bij de luidsprekers, die orders geven.[…] Ik houd krampachtig mijn benen bij elkaar, knieën gebogen, en kijk naar beneden. Dichter bij de grond komt het me voor dat ik draaien moet om met den wind te landen (er is een rookzuil op het terrein als windwijzer) en ik verwacht de order daartoe; als die uitblijft besluit ik zelf maar te draaien, maar nauwelijks begin ik daarmee of bons, daar lig ik op mijn rug met een tamelijk harde smak eerst met mijn rug en dan slaat ook mijn hoofd tegen de grond. Gelukkig doen rubberplaat en valhoed hun dienst, zodat er niets is gebeurd. Ik sta gauw op min of meer teleurgesteld dat het nu al is afgelopen (want na het verlaten van het vliegtuig was het heel aardig), want 800 voet naar beneden duurt misschien 40".’
Paratroepen ondergaan hun parachutetraining op Ringway, augustus 1942. Imperial War Museum, foto: Edward G. Malindine, Len A. Puttnam & Ernest A. Taylor (War Office-fotografen).
Door slecht weer kon er pas op vrijdag 11 december opnieuw gesprongen worden. ‘Het gevoel van onbehagen is belangrijk verminderd vergeleken bij de eerste keer, maar toch is dit een zeer zenuwspannend geheel, en ik geloof dat dit zitten wachten op het “action station – go” het inspannendste van alles is. Ik zit weer nr. 7 gelukkig; niet vlak bij het gat voor het werkelijk springen is en aan den oneven kant: daar springt men het best, rug naar den schroefwind, zodat men minder kans heeft als men met de benen uit het gat komt over de kop te worden geblazen, terwijl bovendien een stoten tegen de rand van het gat met de parachute een uitwerking heeft, tegengesteld aan die van den onder het vliegtuig razenden schroefwind, zodat men te meer kans heeft, als men zich maar stijf houdt, in goede houding aan het valscherm komen te hangen. En alles gebeurt ook zo: we springen ditmaal in “Quick Paris”, maar voor de oneven nummers maakt dit geen verschil. Ik maak een zeer goede “egress”, daal met den wind in den rug en kom volgens alle regels van de kunst zeer zacht neer, in een grote plas! De luidspreker heeft me geen enkele aanwijzing behoeven te geven. Onmiddellijk na onzen eersten sprong gaan we weer terug naar Ringway voor den nachtsprong, een werkelijken sprong in het duister dus, en onzen derden. Nu springen we in “sticks of 5”, dus groepen van 5. Ik ben nr. 2, zit dus te wachten op den rand van het gat. Ik zorg er echter weer voor, geen ogenblik naar beneden te kijken. Het gevoel van angst vermindert natuurlijk bij elke sprong, maar de spanning blijft; ook al weet men op het ogenblik dat men als het vliegtuig nog op de grond staat aangehaakt wordt, dat er geen terug mogelijk is, en men hoe dan ook, zal springen.’
Na een laatste oefensprong op 12 december keerde Kist terug naar Londen. ‘Ik heb verder een uitgebreid gesprek met Lieftinck, vele dingen blijven echter nog in nevelen gehuld [...]. De oefening zal nog 3 maanden duren. Verder doe ik wat “sight seeing” in de city.’ Tijdens het laatste deel van de opleiding aan de finishing schools in Beaulieu, in New Forest – ‘mijn schuilhoek in de bossen’ – mocht Kist geen dagboek bijhouden.
In januari werd hij in Newcastle on scheme gestuurd zoals dat heette. ‘Over de oefening aldaar, erbij inbegrepen als “cover” het bezoek aan de Hadrianuswal en andere Romeinse oudheden in de buurt was zeer belangwekkend […]. Jammer dat het grauwe, natte weer niet erg meewerkte: de atmosfeer is toch al vrij triest in deze Noordelijke rokerige kolenstad, die overigens voor één of ½ dag niet zo onaardig is.’ De rest van de maand bracht hij in Londen door, op kantoor hij Lieftinck. De ‘grote reis’ zou half februari plaatsvinden, kreeg hij te horen.
Slachtoffer van het Englandspiel
Op 18 februari 1943 vertrok Kist samen met Piet van der Wilden om half elf ’s avonds vanaf het vliegveld Tempsford in een Halifax van de Royal Air Force (RAF) gevlogen door sergeant Smith. Eerst werden zeven cilindervormige zogenoemde containers met materiaal gedropt tussen Ermelo en Elspeet. Vervolgens sprongen Kist en Van der Wilden – ze waren bij de RAF bekend onder de codenamen Hockey en Tennis – af rond twintig over één in de buurt van Garderen. De despatcher noteerde alleen: ‘jumped when told.’
De aankomst van Kist en Van der Wilden was als gevolg van het Englandspiel bij de Duitsers bekend en beiden werden direct na hun landing gearresteerd. Zoals de andere geheim agenten van SOE werden beiden opgesloten in kamp Haaren. In 1944 werden ze overgebracht naar het tuchthuis Rawicz in Polen. Van der Wilden werd met de meeste anderen getransporteerd naar Mauthausen, waar zij begin september 1944 de dood in gedreven werden. Het is onduidelijk waar en wanneer Kist precies is omgekomen. Zijn moeder ontving in oktober 1946 een condoleancebrief van Wilhelmina. In 1953 kreeg hij postuum het Bronzen Kruis toegekend.
Bronnen
- NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, 244 Collectie Dagboeken en Egodocumenten, inv.nr. 1226 Kist, Jan Christiaan; de dagboeken zijn getranscribeerd door G. van Arkel.
- Nationaal Archief (NA), ministerie van Justitie, 2.09.06, inv.nr. 4957 en 10102 (Kist); 10127 (De Jong); 11932 (Baumgarten en Van den Broek).
- NA, ministerie van Defensie, 2.13.71, inv.nr. 2526 (Zuidijk).
- The National Archives (TNA), HS 9/844/5 SOE-Personnel file Jan Kist.
- TNA, AIR 20/8476 138 Squadron operational reports.