top of page
  • FB

De zaak-Hooper, deel II

Bijgewerkt op: 11 feb.

Bill Hooper was als zoon van een Engelse vader en Nederlandse moeder in 1905 in Rotterdam geboren. Zijn leven raakte volkomen verweven met het Britse inlichtingenwerk in Nederland. Al op zijn vijftiende ging hij werken bij de Nederlandse vestiging van de Secret Intelligence Service (SIS). Zijn eerste werkzaamheden hadden te maken met het verzamelen van informatie over anarchistische en communistische kringen in Rotterdam. Na zijn ontslag in 1936 bleef hij actief als freelancer in de inlichtingenwereld. In 1939 werd hij weer bij SIS in dienst genomen als ‘extern agent’. Hij stak in mei 1940 met zijn gezin over naar Engeland.


Hooper werd de verbindingsman met de nieuw opgerichte Nederlandse Centrale Inlichtingendienst (CID). Aan het hoofd daarvan kwam Wilhelmina’s particulier secretaris François van ’t Sant te staan. Hij en Hooper kenden elkaar van voor de oorlog in Nederland. Uit archiefmateriaal blijkt dat Hooper herhaaldelijk geld leende van Van ’t Sant – geldgebrek achtervolgde hem vanaf zijn ontslag bij SIS in 1936 en bleef een nijpend probleem.


Hooper werkte in deze beginfase van het inlichtingenwerk nauw samen met Van ’t Sant en de CID. Bezet Nederland was een blinde vlek: SIS had er geen contactpersonen of eigen mensen werken en de Nederlandse inlichtingendienst had geen stay-behind organisatie achtergelaten. Om inlichtingen in te winnen en een radioverbinding op te zetten, moesten er eerst geheim agenten vanuit Engeland worden uitgezonden. Hooper bereidde de eerste agenten die boven Nederland werden geparachuteerd voor op hun uitzending: Lodo van Hamel (gedropt in augustus 1940) en Kees van Brink (november 1940).


Maar daarna moet er iets mis zijn gegaan: in december 1940 werd hij als verbindingsman voor de operaties in Nederland vervangen door Euan Rabagliati. SIS had het vertrouwen in Hooper verloren en hij werd op een zijspoor gerangeerd. Wat was er gebeurd?


Eind november 1940 was Hooper in opspraak gekomen. Een Brit vond een koffer van Georgette Tregenna, die waarschijnlijk bij het verlaten van een hotel per ongeluk tussen zijn bagage terecht was gekomen. Daarin trof hij een brief aan, geadresseerd aan Hooper, over spionage door Sovjet-agenten, hetgeen hij meldde aan de politie. Hooper kwam het koffertje ophalen. Het document bevatte volgens hem gegevens die Tregenna op zijn verzoek had uitgezocht. Hij claimde dat het verder onschuldig was: het kon geen kwaad dat iemand deze informatie had gezien. Maar voor SIS was het duidelijk dat hij onzorgvuldig met vertrouwelijke gegevens was omgegaan. Deze overtreding van de veiligheidsregels was ongetwijfeld aanleiding voor SIS om Hooper op non-actief te zetten.


Posters over ‘careless talk’: praten over militaire of andere vertrouwelijke zaken die de oorlogsinspanningen in gevaar konden brengen. Imperial War Museum (IWM).


Half februari 1941 meldde zich een volgende alerte Brit, namelijk degene bij wie Georgetta Tregenna enige tijd logeerde in Shandon, ten noordwesten van Glasgow. Zijn vrouw had een brief van Tregenna onder ogen gekregen waarin sprake was van Tregenna’s relatie met Hooper, maar nog belangrijker: er stond informatie in over twee oorlogsschepen die in de buurt van Glasgow lagen. Degenen die Tregenna onderdak boden vertrouwden het niet en rapporteerden de zaak aan de politie van Glasgow. Deze schakelde de binnenlandse veiligheidsdienst MI5 in.[i]


MI5 besloot om de gangen en het postverkeer van Tregenna in de gaten te houden en de zaak ging hogerop. Aan SIS-kant werden ingelicht: Claude Dansey, tweede man in de organisatie, en Valentine Vivian en Felix Cowgill van de contraspionageafdeling. Bij MI5 werd Guy Liddell, hoofd van de contraspionageafdeling, op de hoogte gesteld. Wat moesten ze met de kwestie en met Hooper aanvangen? Liddell, die tijdens de oorlog uitgebreide dagboeken bijhield, noteerde op 18 maart 1941 dat hij ‘het probleem Hooper, die met Van ’t Sant samenwerkt’ had besproken met Vivian en Cowgill. Liddell schreef: ‘Hij [Hooper] gaat blijkbaar om met een Mrs. Tregenna, die van buitenlandse afkomst is. Ik geloof niet dat er iets aan de hand is afgezien van seks. We gaan verder onderzoek doen.’


Aan zijn dagboek vertrouwde Liddell ook toe dat er binnen SIS ‘interne intrige’ heerste over Hooper.[ii] De verhouding tussen Dansey enerzijds en Vivian en Cowgill anderzijds was notoir slecht, en de heren konden het niet eens worden over wat ze van Hooper vonden en met hem aan moesten. Dansey, op de hoogte van de eerdere twijfels over Hoopers betrouwbaarheid vóór de oorlog, meende: ‘eens een verrader, altijd een verrader’. Vivian en Cowgill zagen dat anders. De laatste had Hooper hoog zitten. Hij was zich bewust van Hoopers zwakheden, maar vond hem absoluut loyaal.[iii] Door de onenigheid binnen SIS werd er geen verdere actie ondernomen.[iv]


MI5 controleerde enige tijd Hoopers brief- en telefoonverkeer, maar dat leverde niets interessants op. Intussen stond hij bij SIS op non-actief, maar drukten zijn salariskosten wel op het budget van de dienst. In juli 1941 werd hij ontslagen.


MI5 bleek bereid om Hooper een tweede kans te geven, mede op grond van Cowgills positieve oordeel.[v] In december 1941 werd Hooper aangesteld als ‘externe werver van agenten’ onder scheepslieden in Glasgow. Maar nog in dezelfde maand gaf de bovengenoemde tweede alerte Brit Hooper en Tregenna opnieuw aan bij de politie. Ze waren elkaar tegengekomen in Glasgow en Hooper en Tregenna hadden hem verteld dat ze voor het War Office werkten, waaruit hij opmaakte dat ze zich met ‘security werk’ bezighielden. Hij vertrouwde het niet en meldde het bij de politie.


Schepen bij Glasgow, 1942. IWM.


Genoeg aanleiding om Hooper opnieuw aan een onderzoek te onderwerpen. Begin januari 1942 werd hij verhoord door MI5-medewerker Eric Jones. Hooper sprak uitgebreid over zijn stukgelopen huwelijk, zijn buitenechtelijke relatie met Tregenna en zijn financiële problemen. Hij was indiscreet geweest over zijn werk – dat bleek alleen al uit het feit dat hij Tregenna op de hoogte had gesteld van zijn werkzaamheden. Bij een huiszoeking in februari 1942 werden bovendien documenten gevonden die er beslist niet thuishoorden. Deze hadden onder meer betrekking op de operatie Windmill: de uitzending van geheim agent Lodo van Hamel. Van Hamel was in oktober 1940 gearresteerd toen hij probeerde terug te komen naar Engeland: hij zou per vliegtuig van het Tjeukemeer worden opgehaald, maar de eerste poging mislukte en bij de tweede bleek dit plan verraden te zijn.


Hooper was niet veilig omgegaan met de documenten over Van Hamel, maar SIS verzekerde MI5 dat hij niet verantwoordelijk was geweest voor het mislukken van operatie Windmill.


Tar Robertson was degene bij MI5 die Hooper in december 1941 had aangenomen. Dat Hooper binnen een maand in opspraak kwam, schoot hem in het verkeerde keelgat. Hij liet Hooper weten dat hij diens gedrag ‘volkomen walgelijk’ vond en dat Hooper ‘de naam van MI5 te schande had gemaakt’.[vi] Maar ondanks alles hield Robertson hem in dienst. Hooper was een vakman en wellicht was men ook huiverig hem los te laten vanwege de kennis die hij van de geheime diensten had. Wel verordonneerde Robertson dat Hooper niet meer met Tregenna om zou gaan.[vii] Hooper kwam met de schrik vrij en diende verder tijdens de oorlog bij MI5 als een ‘buitengewoon capabele, praktische inlichtingen officier’, aldus Robertson.[viii] Ook David Petrie, hoofd van MI5, schreef later dat Hooper buitengewoon goed in zijn werk was geweest, ondanks ‘indiscreties met een dame en een algemene neiging om hoge declaraties in te dienen’.[ix]


Hoopers rol in de operaties in Nederland was al afgelopen vóór zijn ontslag bij SIS. Op 1 maart 1941 had Van ’t Sant aan minister-president Gerbrandy laten weten dat hij had besloten ‘iedere omgang met de Heer Hooper te verbreken’. Van de Britse dienst had hij informatie over Hooper gekregen ‘welke een verdere samenwerking met deze niet langer wenselijk doet zijn’. Op verzoek van Hoopers opvolger Rabagliati beëindigde Van ’t Sant de financiële steun die hij Hooper had verleend.[x]

 

Noten:

[i] Uitgebreide documentatie in The National Archives (TNA), KV 2/4346. De politie van Glasgow meldde de zaak aan bij Peter Perfect, Regional Security Liaison Officer van MI5 in Edinburgh.

[ii] TNA, KV 4/187 Dagboek van Guy Liddell, 18.3.41, 810.

[iii] Het hoofd van SIS, Stewart Menzies, liet beide opvattingen vastleggen om ze later te kunnen vergelijken. Ontleend aan TNA, KV 2/4347, Herbert Hart en Richmond Stopford, Rapport over Hooper, 27.7.45.

[iv] Nationaal Archief (NA), Ministerie van Justitie te Londen, 2.09.06, inv.nr. 3240, Vrinten aan Van ’t Sant, 11.4.41. Adriaan Vrinten rapporteerde aan Van ’t Sant dat Menzies zijn beslissing over Hooper liet afhangen van het advies van onder meer Claude Dansey en Valentine Vivian, wat de trage gang van zaken zou verklaren.

[v] Ook Hoopers broer Jack, met wie hij heel hecht was, werkte bij MI5.

[vi] TNA, KV 2/4346, Notitie van Robertson, 4.1.42.

[vii] Ibidem, Robertson aan Perfect, 17.2.42.

[viii] Ibidem, Robertson aan Guy Liddell, 22.5.42.

[ix] TNA, KV 2/4347, Petrie aan Menzies, 1.8.45.

[x] NA, Justitie te Londen, 2.09.06, inv.nr. 3240, Van ’t Sant aan Gebrandy, 1.3.41 en Hooper aan Van ’t Sant, 28.3.41.


Afbeeldingen:

Poster 'Tell nobody – not even her'. IWM Art.IWM PST 13910.

Prent 'You never know who's listening!', 1940. IWM Art.IWM PST 0142/ Ministry of Information/ Fougasse (Cyril Kenneth Bird).

Poster 'Keep it under your hat'. IWM Art.IWM PST 3377.

Slagschip HMS HOWE, gebouwd op de scheepswerf in Glasgow, op weg naar de vloot, 1942. IWM A 10381/ Reginald Coote (officiële fotograaf van de Royal Navy).

Te water lating van het vliegdekschip HMS INDEFATIGABLE in Glasgow, 8.12.42. IWM A 13184 en 13185/ Lt. Sidney Beadell (officiële fotograaf van de Royal Navy).


37 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page